1. Home
  2.   MIRT 2013
  3.   1 Nationaal
  4. Actueel beleid van het Rijk in het ruimtelijk domein

Actueel beleid van het Rijk in het ruimtelijk domein

Het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) kan niet los gezien worden van de actuele beleidscontext. In dit hoofdstuk passeren de relevante ontwikkelingen de revue. Op de volgende pagina staat de nationale opgavenkaart. Deze kaart is een compilatie van de opgavenkaarten van de acht gebieden. Omwille van de leesbaarheid zijn niet alle categorieën van de gebiedskaarten aangeduid in de nationale kaart.

    Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

    De minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft op 13 maart 2012 de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld en aan de Tweede Kamer aangeboden. De SVIR is het kader dat de (nieuwe) ruimtelijke, water- en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig.

    De hoofddoelen voor de middellange termijn (2020/2028) zijn:

    • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland.
    • Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat.
    • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

    Het laatste hoofddoel omvat ook de wateropgaven. Het gaat dan om bescherming tegen overstromingen, het veilig stellen van de zoetwatervoorziening (zie Deltaprogramma, p. 21) en het bereiken van een goede waterkwaliteit.

    In de SVIR zijn dertien nationale belangen benoemd waar het Rijk verantwoordelijk voor is en resultaat wil boeken. De rijksdoelen en nationale belangen zijn gebiedsgericht vertaald naar opgaven per MIRT-regio. Deze opgaven worden verwerkt in de actualisatie van de gebiedsagenda’s, die eind 2012 worden vastgesteld in de bestuurlijke overleggen MIRT.

    Decentraal, tenzij

    ‘Zo dicht mogelijk bij de burger’ is het uitgangspunt van de SVIR. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschappen worden daarom aan de provincies overgelaten. In het ruimtelijk domein krijgen provincies en gemeenten meer verantwoordelijkheid. De provincie fungeert daarbij als gebiedsregisseur. De gemeente draagt zorg voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving. Bij de nieuwe rolverdeling is vertrouwen de basis.

    De decentralisatie van het beleid gaat gepaard met de decentralisatie van middelen en projecten. Dit geldt onder meer voor het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG), waarvoor een onderhandelingsakkoord wordt uitgewerkt. Decentralisatie betekent ook dat de verantwoordelijkheid over enkele ruimtelijke projecten zal verschuiven naar de provincies. De projecten in het kader van Nota Ruimte, BIRK en – voor zover sprake is van subsidies aan gemeenten en/of provincies – Sterke Regio’s worden waar mogelijk gedecentraliseerd naar provincies en gemeenten conform bijlage 1c bij de brief ‘Prioritering investeringen mobiliteit en water’ (TK 32500-A nr 83). Bij een aantal projecten wordt het moment van decentralisatie nog nader bepaald. Deze projecten zijn nog als projectblad in dit boek opgenomen.

    Bijgaande tabel geeft een overzicht van de gedecentraliseerde projecten van ILG, Nota Ruimte en BIRK in de periode december 2011-september 2012, met het te decentraliseren bedrag. Deze projecten vindt u niet langer terug in het MIRT Projectenboek omdat er geen directe rijksfinanciering meer is.

    Verstedelijking

    Met uitzondering van de Noord- en de Zuidvleugel, wordt de programmering van verstedelijking overgelaten aan provincies en (samenwerkende) gemeenten. De (samenwerkende) gemeenten zorgen voor de (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering – binnen de provinciale kaders – en uitvoering van de woningbouwprogramma’s. Vraaggericht programmeren en realiseren door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en om krimpregio’s leefbaar te houden. Waar samenwerking tussen gemeenten uitblijft, stimuleren provincies actief dat de samenwerking alsnog tot stand komt. Provincies voeren – rekening houdend met de rijksdoelstellingen – de regie over de integratie en afweging van ruimtelijke opgaven van (boven)regionaal belang. Het Rijk benoemt de rijksdoelstellingen gericht op een goed werkende woningmarkt in Nederland: de zorg voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. Daarbij wordt meer ruimte geboden voor kleinschalige natuurlijke groei, het voorzien in de eigen woningbehoefte, (collectief ) particulier opdrachtgeverschap en meegroei-, mantel- en meergeneratiewoningen. Bij het voorzien in de woningbehoefte is van belang dat het aanbod ook in kwalitatieve zin aansluit op de vraag.

    In de Noord- en Zuidvleugel maakt het Rijk afspraken met provincies en gemeenten over de programmering van verstedelijking. In deze stedelijke regio’s zijn de bestaande verstedelijkingsafspraken onderdeel van de integrale aanpak voor deze gebieden. In de andere regio’s is geen directe rijksbetrokkenheid meer bij de woningbouwprogrammering.

    Aangezien de realisatie van de rijksdoelstellingen in regio’s met een gespannen of zeer ontspannen woningmarkt complex is, ondersteunt het Rijk de betreffende gemeenten en provincies actief door middel van kennis, experimenten, het uitwerken van nieuwe verdienmodellen (zie verder bij Innovatie in gebiedsontwikkeling) en het aanpassen dan wel wegnemen van belemmerende regelgeving.

    Het Rijk zet, samen met de decentrale overheden, de interbestuurlijke samenwerking bij de aanpak van de gevolgen van bevolkingsdaling voort en maakt (in die gevallen waarin de noodzaak is aangetoond) regelgeving ’krimpbestendig’.

    Herijking Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

    In het regeerakkoord van 2010 is aangekondigd dat de EHS zal worden herijkt en gedecentraliseerd naar provincies. In het onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur en de daarbij behorende uitvoeringsafspraken hebben Rijk en provincies hierover nadere afspraken gemaakt.

    De definitieve verankering van de decentralisatie dient nog plaats te vinden. De rol van het Rijk beperkt zich tot het stellen van kaders en het afleggen van verantwoording op grond van internationale en Europese verplichtingen.

    Vernieuwing van het MIRT

    Om invulling te geven aan de uitvoering van de SVIR en het integrale gebiedsgerichte denken (de basis van het MIRT) verder te versterken, is het noodzakelijk om het MIRT te blijven vernieuwen en te verbreden. Dit gebeurt in nauw overleg met de bestuurlijke partners. De eerste concrete resultaten daarvan zijn naar verwachting zichtbaar in de bestuurlijke overleggen MIRT najaar 2012.

    De verdere vernieuwing van het MIRT kent de volgende uitgangspunten:

    • Behouden van sterke punten van het MIRT; o.a. gestroomlijnd besluitvormingproces voor concrete, sectorale projecten en de politiek geaccepteerde centrale positie van het MIRT in de bestuurlijke besluitvorming in het fysiek ruimtelijk domein.
    • Verbreden van besluitvorming over projecten naar vroegtijdig praten en afspraken maken over strategische keuzerichtingen, consequenties en dilemma’s bij (integrale) opgaven.
    • Bredere inzet van concrete andere middelen dan alleen geld, zoals wet- en regelgeving, expertise, versnelling besluitvorming, rijksvastgoed, etc. in te vullen bij het maken van zogeheten koppelafspraken.
    • Bespreken doelen vanuit Rijk (SVIR), regio en andere partijen: gezamenlijke prioritering en helderheid over verantwoordelijkheden.
    • Centrale en agenderende rol voor de gebiedsagenda’s v.w.b. de inhoud. Dit worden strategische, flexibele agenda’s waaraan Rijk en regio zich committeren en die als basis dienen voor de verdere prioritering van programma’s en projecten.
    • Externe vragen en opgaven mogelijk maken binnen het MIRT en actief betrekken van andere partijen (waterschappen en private partijen, maar ook het concreet invulling kunnen geven aan burgerinitiatieven).

    Innovatie in gebiedsontwikkeling

    Sinds de financiële en economische crisis is de uitvoering van ruimtelijke plannen van gedaante veranderd. Zowel publieke als private partijen gaan gebukt onder financiële verplichtingen die zijn aangegaan in het verleden met het zicht op toekomstige ontwikkelingen. Nu de marktvraag is gedaald worden die verplichtingen niet omgezet in opbrengsten. Door deze financiële klem worden grootschalige, complexe plannen ingeruild voor een meer organische aanpak; kleinschalige, stap voor stap ontwikkelingen met initiatief van burgers en bedrijven als centrale spil. Deze nieuwe manier van werken heeft ook effect op de samenwerking en onderliggende verdien- en financieringsmodellen. Samen met het ministerie van BZK benadrukt IenM dat gemeenten beter moeten afwegen op welke manier zij ruimtelijke ontwikkelingen willen begeleiden: met actief (incl. de daarbij gepaard gaande risico’s) of passief grondbeleid.

    Ook heeft het ministerie van IenM in april 2012 een handreiking ‘Investeren in gebiedsontwikkeling nieuwe stijl’ uitgebracht. Kern van de handreiking is dat innovatie in gebiedsontwikkeling nodig is om gestagneerde projecten weer in beweging te brengen. De vernieuwing gaat uit van het centraal stellen van de gebruiker, besparen van kosten (door life cycle denken), en het behalen van duurzaamheidsdoelstellingen. Deze drie elementen vormen het uitgangspunt voor nieuwe samenwerkingsvormen en verdienmodellen. Drie nieuwe verdienmodellen staan in de handreiking beschreven: fondsvorming, corporaties en Energy Service Companies (Esco’s), inclusief toepassing in twee praktijken. Het beter betrekken van beheer en onderhoud bij de ontwikkeling en nieuwe financieringsvormen – waaronder fondsvorming – worden de komende periode onderzocht in een aantal gemeentelijke en rijksprojecten. Voorbeelden hiervan zijn de deelprogramma’s Zuidwestelijke Delta en Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma en de projecten/programma’s Eindhoven en A4 zone West, een logistiek bedrijventerreinen bij Schiphol en de pilot van de Rijksgebouwendienst in energievoorziening rondom Den Haag CS.

    Gevolgen van Begrotingsakkoord

    Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 21 juni jongstleden (TK 33000 A, nr 71) zal ten gevolge van het Begrotingsakkoord het Infrastructuur- en Deltafonds (IF en DF) structureel met € 200 mln verlaagd worden. Conform het Begrotingsakkoord is deze taakstelling in 2013 verwerkt op de aanlegbudgetten van Wegen en Vaarwegen. Vanaf 2014 is de taakstelling verdeeld over alle aanlegbudgetten binnen de Investeringsfondsen. In het Begrotingsakkoord is verder een kasschuif opgenomen van € 230 mln van 2013 naar 2014 en 2015.
    In lijn met het Begrotingsakkoord is deze voor € 200 mln verwerkt op Wegen en Vaarwegen. De overige € 30 mln is verwerkt op Spoor en Regionale/lokale infrastructuur. Naast deze specifieke bezuinigingen dragen het IF en DF samen voor € 99 mln bij aan de generieke bezuinigingen uit het Begrotingsakkoord. Omdat zowel het IF en DF tot en met 2028 lopen, gaat het in totaal om een bezuiniging van circa € 4,8 mld.

    2013

    Om de effecten van de bezuinigingen in 2013 te verlichten, is zoveel mogelijk ingezet op de mogelijkheid om projecten te faseren, zonder dat het substantiële gevolgen heeft voor mijlpalen en/of politiek-bestuurlijke afspraken. Binnen Spoor, Regionale/lokale infrastructuur en Water is dat mogelijk gebleken. Echter, een deel van de geplande uitgaven voor planuitwerking- en aanlegprogramma’s voor Wegen en Vaarwegen wordt door de taakstellingen met ten minste één jaar uitgesteld.
    Dit heeft in voorkomende gevallen invloed op de planning van projecten, omdat bijvoorbeeld grondaankopen moeten worden getemporiseerd en/of andere voorbereidende werkzaamheden nog niet kunnen plaatsvinden. Voor deze projecten zullen de start van de realisatie en de oplevering mogelijk in de tijd naar achteren worden geschoven. Daarbij is zoveel mogelijk geprobeerd om de nadelige effecten te beperken. Het betreft de volgende projecten:

    Wegen: A1/A6/A9 Schiphol-Amsterdam-Almere, A27 Houten- Hooipolder, A12/A15 Bereikbaarheid regio Arnhem-Nijmegen, Geluidsaneringsprogramma wegen, A27/A1 Utrecht Noordknooppunt Eemnes-aansluiting Bunschoten, N35 Wijthmen- Nijverdal, Amsterdam Zuidas (A10 Knopen), A12 Ede-Grijsoord, N33 Assen (zuid)-Zuidbroek, A1 Beekbergen-Apeldoorn Zuid, Beter Benutten, Verzorgingsplaatsen, Stalen kunstwerken.

    Vaarwegen: Impuls Dynamisch Verkeersmanagement, Maasroute modernisering fase 2, Vaarweg Meppel-Ramspol, Zuid- Willemsvaart, Achterstallig onderhoud o.b.v. Nota Mobiliteit, Volkeraksluizen, Capaciteitsuitbreiding ligplaatsen Rijn- Scheldeverbinding, Capaciteitsuitbreiding ligplaatsen IJssel, Lichteren Buitenhaven IJmuiden, Toekomstvisie Waal.

    De verwerkte taakstellingen voor 2013 gaan uiteindelijk ten koste van de bestemde middelen voor met name de doelstellingen voor mobiliteit en water uit de SVIR. Hierdoor komen deze beleidsdoelstellingen verder onder druk te staan. Op de betreffende projectbladen staan de precieze gevolgen per project aangegeven.

    2014 en daarna

    De structurele doorwerking van de taakstelling van € 200 mln is naar rato verdeeld over alle modaliteiten van het IF en DF. Voor deze taakstellingen zijn nog geen uitgavenbeperkende maatregelen getroffen. Na 2023 is de structurele doorwerking van de taakstellingen ten laste gebracht van de ruimte voor toekomstige kabinetten (5/8e van het verlengde IF en DF). Ook dit is naar rato gebeurd. Een en ander vraagt de komende tijd om scherpe prioriteitstelling, gericht op vooral daar investeren waar dat maximaal bijdraagt aan het economisch herstel. Voorbeelden daarvan zijn mainports, brainports, greenports en achterlandverbindingen.

    BTW

    In het Begrotingsakkoord is besloten tot een verhoging van het hoge BTW-tarief van 19% naar 21%. Dat raakt IenM als eindafnemer van producten en diensten, inclusief de infrastructurele uitgaven waarvan de ramingen inclusief BTW luiden. Een prijsverhoging van 2%-punt van de prijsgevoelige uitgaven komt neer op circa € 30 mln in 2012 en circa € 120 mln per jaar vanaf 2013. Het precieze effect hangt onder meer af van de doorwerking van de BTW-verhoging in de relevante indexcijfers en daarmee van de vanaf 2013 te ontvangen prijsbijstellingen (zoals IBOI – Index Bruto OverheidsInvesteringen). De BTW-verhoging betekent dus voor IenM ten dele een aanvullende impliciete taakstelling en ten dele een budgettair risico voor de programma’s. Deze opgave zal de komende jaren moeten worden opgevangen binnen de diverse investeringsdomeinen.

    Prijsbijstelling

    Ten tijde van het opstellen van dit MIRT Projectenboek had het kabinet nog geen besluit genomen over het al dan niet uitkeren van de structurele doorwerking van de tranche 2012 van de prijsbijstelling. De bedragen in het boek luiden derhalve in prijspeil 2011.

    Intensiveringen

    De voor IenM relevante intensiveringen uit het Begrotingsakkoord zijn verdeeld over twee thema’s:
    1. Openbaar vervoer en intensivering regionaal spoor: € 100 mln structureel vanaf 2013, te weten
    a. € 75 mln voor de BDU (waarvan € 30 mln voor de G3 en € 45 mln voor de rest van Nederland);
    b. € 25 mln voor een aantal specifieke regionale OV-projecten.
    2. Intensivering natuur: € 200 mln structureel vanaf 2013, waarvan € 20 mln voor IenM voor hydrologische maatregelen. Deze middelen staan gereserveerd op de ‘Aanvullende Post’ bij het ministerie van Financiën. In aanvulling op de € 20 mln zal IenM € 10 mln bijdragen aan deze maatregel; dit bedrag is nog niet in deze begroting verwerkt.

    Topsectorenaanpak: Bedrijfslevenbrief ‘Krachtig naar de top’

    Nederland moet een plek zijn waar ondernemingen groeien en vernieuwen, waar kennis stroomt en waar duurzame oplossingen worden ontwikkeld. Hiertoe moet er meer ruimte voor ondernemers komen, minder specifieke subsidies en meer lastenverlichting en ruimte voor een sectorale aanpak met vraagsturing vanuit het bedrijfsleven. Naast het generieke bedrijfslevenbeleid – dat zich richt op ondernemerschap, kennis en innovatie, goede randvoorwaarden, duurzaamheid, onderwijs en arbeidsmarkt en op het buitenland – geeft het kabinet in de Bedrijfslevenbrief ‘Krachtig naar de top’ bijzondere aandacht aan de topsectoren van de Nederlandse economie. Dit zijn de sectoren High Tech Systemen en Materialen, Energie, Creatieve Industrie, Logistiek, Agro & Food, Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, Life Sciences & Health, Water en Chemie. Het topgebied Hoofdkantoren is hieraan toegevoegd omdat het belangrijk is dat Nederland zijn positie als aantrekkelijk hoofdkwartier van internationaal opererende bedrijven verder uitbouwt.

    De grootste ruimtelijke concentraties van deze topsectoren bevinden zich in de stedelijke regio’s rond de Mainports Rotterdam en Schiphol, de Brainport Zuidoost-Nederland en de Greenports (West- en Oostland, Aalsmeer, Venlo, Duin- en Bollenstreek, Boskoop en Noord-Holland Noord).

    Het creëren van een excellent, internationaal concurrerend vestigingsklimaat betekent ook in fysieke zin zorgen voor ruimte voor ondernemerschap. De SVIR biedt een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de SVIR is een nadrukkelijke koppeling gelegd met de ontwikkeling van de topsectoren. Omdat deze zich in belangrijke mate concentreren in de stedelijke regio’s rond de mainports, brainport en greenports, zet het kabinet extra in op het versterken van de ruimtelijk economische structuur en investeringen in deze regio’s en de belangrijke achterlandverbindingen.

    Deltaprogramma

    Het Deltaprogramma werkt aan de bescherming van ons land tegen hoog water en het op orde houden van de zoetwatervoorziening, zowel op de korte termijn - met lopende uitvoeringsprogramma’s en projecten - als op de lange termijn - met deelprogramma’s.

    De uitvoeringsprogramma’s zijn: het tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP2), Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. Daarnaast zijn er projecten in voorbereiding zoals het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma (nHWBP), Afsluitdijk, Ooijen- Wanssum en de rijksstructuurvisie Zuidwestelijke Delta.

    De negen deelprogramma’s zijn: Veiligheid, Zoetwater, Nieuwbouw en Herstructurering, Kust, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rijnmond- Drechtsteden, Zuidwestelijke Delta en Rivieren. In deze deelprogramma’s wordt – veelal in de vorm van een MIRT Onderzoek – toegewerkt naar zogenoemde Deltabeslissingen en maatregelenpakketten die op termijn nodig zijn om de opgaven integraal aan te pakken.

    Alle uitvoeringsgerichte projecten en programma’s doorlopen de MIRT systematiek en volgen de principes van Sneller&Beter: met vroegtijdige en ruime participatie van betrokkenen, verankering van tussentijdse beslissingen en een transparante planning. Dit voorkomt dat gemaakte keuzen opnieuw ter discussie worden gesteld. Meekoppeling met andere belangen en ruimtelijke opgaven gebeurt ook via de gebiedsagenda’s.

    Jaarlijks wordt, met de rijksbegroting en het Deltaprogramma, de voortgang van het werk aan de Delta gerapporteerd. Nadat de Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening (kortweg, Deltawet) op 1 januari 2012 van kracht is geworden, is bij deze begroting de eerste officiële begroting van het Deltafonds aan de Tweede Kamer aangeboden.

    Tot 2015 ligt de nadruk in het Deltaprogramma, naast de lopende programma’s en projecten, op de deltabeslissingen. Deze, door de politiek te nemen beslissingen, zijn bepalend voor de toekomst van onze delta. In de derde rapportage over het Deltaprogramma, het DP2013, staat het verkennen van mogelijke oplossingsrichtingen centraal. Deze worden in 2013 uitgewerkt in kansrijke strategieën en leiden in 2014 tot voorstellen voor de deltabeslissingen. Met deze beslissingen werkt Nederland met een ‘nieuwe generatie Deltawerken’ op een effectieve en efficiënte manier toe naar een robuuste delta.

    Vereenvoudiging wet- en regelgeving

    Tracéwet

    Op 1 januari 2012 is de gewijzigde Tracéwet in werking getreden. Kern van de gewijzigde Tracéwet is de wettelijke verankering van de verkenningsfase van een plan. Daarbij is de overheid verplicht aan te geven hoe ze burgers, organisaties en bestuursorganen betrekt bij het proces. Betrokkenen worden actief benaderd om mee te denken over de beste oplossing voor het knelpunt. De uitgebreide consultatie aan het begin van het proces vergroot de mogelijkheden om wensen van burgers, bedrijfsleven en bestuurders mee te nemen in het ontwerp. Dat zorgt voor draagvlak en voorkomt vertraging in een later stadium.

    De gewijzigde Tracéwet kent duidelijke beslismomenten. De wet maakt duidelijk welke informatie en middelen er per fase in het besluitvormingsproces nodig zijn om zorgvuldige keuzes te maken. Dat beperkt de onderzoeklast. Ook is een opleveringstoets na afronding van het project opgenomen. Met deze toets wordt nog een keer gecontroleerd of aan de milieunormen wordt voldaan en of er nog extra maatregelen nodig zijn.

    De gewijzigde Tracéwet is een uitwerking van het advies Sneller&Beter van de Commissie Elverding.

    Omgevingswet

    Het Rijk gaat procedures en regels voor ruimtelijke ordening, infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten bundelen en vereenvoudigen. Dat versnelt de besluitvorming, het vermindert plankosten en maakt het voor professionals in de publieke sector, bedrijven, investeerders en overheden transparanter. Voor burgers is sneller duidelijk of en welke vergunningen nodig zijn. Mensen die opkomen voor belangen die mogelijk conflicteren met een initiatief, weten waar en wanneer ze hun stem kunnen laten horen. Met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo), de Waterwet en de aanpassing van de Tracéwet zijn al aanzienlijke verbeteringen doorgevoerd. Met de vernieuwing van het omgevingsrecht bouwt het kabinet hierop voort, met als leidraad meer ruimte voor eigen initiatief.

    De Omgevingswet gaat uit van de volgende principes: een gelijkwaardig beschermingsniveau van de leefomgeving, ontwikkelingsgericht en gericht op integrale oplossingen, een betere aansluiting op Europese wet- en regelgeving, uitgaande van de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling. De Omgevingswet staat voor: versnelling van procedures en besluitvorming volgens de Sneller&Beter-aanpak, vermindering en integratie van planvormen, doelmatiger omgang met onderzoeksverplichtingen en meer ruimte voor bestuurders om knopen door te hakken. Dit alles draagt bij aan een inhoudelijk sterkere besluitvorming en een daadkrachtiger bestuur.

    Crisis- en herstelwet

    Naast de integrale vernieuwing van het omgevingsrecht wordt de Crisis- en herstelwet (Chw) voor onbepaalde tijd verlengd waarbij tevens een aantal aanvullende verbeteringen van het omgevingsrecht (‘quick wins’) wordt geregeld. Uiteindelijk zal de Chw worden opgenomen in de nieuwe Omgevingswet. De Chw maakt deel uit van een dynamisch wetgevingstraject. Nadat de Chw in maart 2010 in werking is getreden is de wet nader ingevuld, aangevuld en aangepast. Gemiddeld twee keer per jaar worden bij AMvB nieuwe categorieën van projecten, concrete projecten en experimenten aangewezen. De categorieën van projecten en concreet aangewezen projecten kunnen gebruik maken van bepaalde bestuursrechtelijke versnellingen. De aangewezen experimenten kunnen tijdelijk gebruik maken van bijzondere voorzieningen, zoals het voor bepaalde duur afwijken van in de Chw benoemde wet- en regelgeving in het ruimtelijk fysieke domein. Het betreft ontwikkelingsgebieden zoals in Zaanstad, Rotterdam en Amersfoort, innovatieve experimenten zoals in Eindhoven, Utrecht en Leeuwarden en lokale projecten met nationale betekenis zoals in Assen, Rotterdam en Utrecht. Daarnaast kunnen projectuitvoeringsbesluiten het ontwikkelen van woningbouwlocaties versnellen, omdat de ontwikkeling via één besluit kan worden gestart.

    Beter Benutten

    Een reductie van de files met circa 20% op specifieke trajecten waar de spitsproblematiek zich het meeste voordoet en het verlagen van de spitsdruk op de weg en het OV: dat is het doel van het programma Beter Benutten. Daarnaast werkt het programma aan het accommoderen van groei op het spoor en efficiënter gebruik van de vaarwegen. Voor een groeiende economie heeft Nederland goed functionerende infrastructuur nodig: wegen, spoor- en vaarwegen die optimale bereikbaarheid bieden aan reizigers en bedrijven. Nederland gaat de komende jaren daarom innovatiever om met het benutten van de infrastructuur. Dat vraagt om een andere manier van reizen, (samen) werken en omgaan met mobiliteit en bereikbaarheid.

    Om hier concreet invulling aan te geven zijn in het najaar van 2011 in het bestuurlijk overleg MIRT met de verschillende regio’s gebiedsprogramma’s vastgesteld. Deze programma’s bevatten samen ruim 250 maatregelen die nu worden uitgerold, uitgevoerd en gemonitord. De maatregelen vinden plaats in de regio’s Amsterdam, Rotterdam, Haaglanden, Midden-Nederland, Brabant, Arnhem-Nijmegen en Maastricht. De gebiedsprogramma’s in deze regio’s worden aangestuurd door een bestuurlijk trio bestaande uit de minister van IenM, een regionale bestuurder en beeldbepalende CEO uit het bedrijfsleven in de betreffende regio. Zij sturen per regio op de realisatie van de doelen. Ook de regio’s Twente, Groningen-Assen en Zwolle-Kampen hebben zich aangesloten. Samen met de regio en het bedrijfsleven wordt met deze maatregelen flink geïnvesteerd in de bereikbaarheid van Nederland.

    De gebiedsprogramma’s Beter Benutten bevatten een breed scala aan maatregelen waarmee de knelpunten in een gebied kunnen worden opgelost. De maatregelen vullen elkaar aan waardoor ze als geheel een merkbare verbetering van de bereikbaarheid realiseren. Voorbeelden van de maatregelen zijn een betere afstelling van stoplichten, het verlengen van uitvoegstroken, afspraken met bedrijven om meer goederen over water te vervoeren, de aanleg van nieuwe snelfietsroutes en op maat gesneden reisinformatie via apps. In Twente wordt geëxperimenteerd met aangepaste schooltijden, waardoor scholieren en studenten buiten de spits van het OV gebruik maken; daardoor wordt OV een aantrekkelijker alternatief voor andere forensen. Al deze maatregelen verbeteren het aanbod van de infrastructuur en zorgen ervoor dat de weggebruiker meer mogelijkheden heeft om te variëren in het tijdstip van reizen en het vervoermiddel.

    Geluid

    Op 1 juli 2012 is met SWUNG I een systeem van geluidproductieplafonds (gpp’s) langs rijkswegen en hoofdspoorwegen van kracht geworden. De gpp’s moeten continu door de beheerders van de (spoor)wegen worden nageleefd. Omwonenden worden hierdoor beter beschermd tegen geluidhinder. Ieder kalenderjaar brengt de beheerder een verslag uit over de naleving van de gpp’s. Wanneer de gpp’s dreigen te worden overschreden moet de beheerder geluidbeperkende maatregelen overwegen. Daar staat tegenover dat de beheerder zonder uitgebreide procedures eenvoudige wijzigingen aan de infrastructuur kan doorvoeren zolang de gpp’s niet worden overschreden. Ook voor de (spoor)wegen die in beheer zijn bij de decentrale overheden wordt door het Rijk in samenwerking met VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten) en IPO (Interprovinciaal Overleg) gewerkt aan herziening van de geluidwetgeving.

    Naast de gpp’s zet het Rijk de komende tien jaar door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG, zie p. 52) met een budget van € 885 mln in op de extra aanpak van hoge geluidbelastingen die de afgelopen decennia zijn ontstaan door sterke verkeersgroei. Om ook in de toekomst de gpp’s na te kunnen leven wordt samen met de markt gewerkt aan het doorontwikkelen van stillere wegdekken. Daarnaast zet het Rijk zich internationaal in voor het aanscherpen van geluid(emissie)eisen voor banden en voertuigen. IenM spant zich samen met andere Europese lidstaten in om de laatste belemmeringen ten aanzien van de toepassing van stil goederenmaterieel weg te nemen. Dit moet in 2013 leiden tot een situatie waarbij de goederenvervoerders in heel Europa materieel kunnen inzetten dat is uitgerust met (stille) LL-remblokken. Tot slot wordt, voortvloeiend uit de Europese Kaderrichtlijn Geluid, in 2013 het vijfjaarlijks op te stellen actieplan rijkswegen en het actieplan hoofdspoorwegen vastgesteld. Hierin wordt het nationale geluidbeleid en de ontwikkelingen die zich de komende vijf jaar voordoen ten aanzien van de rijkswegen en de druk bereden hoofdspoorwegen weergegeven.

    Verhoging maximumsnelheid naar 130 km/h

    Op 1 september 2012 is de generieke maximumsnelheid op autosnelwegen verhoogd naar 130 km/h door een aanpassing van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990). Voor autosnelwegen geldt dus een maximumsnelheid van 130 km/h, tenzij dit niet mogelijk is vanwege effecten op de omgeving of de verkeersveiligheid. Uit onderzoek is gebleken dat een autosnelweg die is ontworpen en ingericht voor 120 km/h, ook voldoende kwaliteit biedt voor een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer bij een maximumsnelheid van 130 km/h. De verhoging van de maximumsnelheid leidt daarom niet tot aanpassing van bestaande ontwerprichtlijnen voor autowegen. Bij verkenningen en planuitwerkingen wordt voor het bepalen van onder andere verkeers- en omgevingseffecten en de bijbehorende emissiefactoren gerekend met de maximumsnelheid van 130 km/h, behalve wanneer vastgesteld is dat er een andere maximumsnelheid zal gelden.

    Treinbeveiliging - ERTMS

    Veiligheid is een randvoorwaarde voor het gebruik van het spoor. De minister van IenM heeft het principebesluit genomen om het nieuwe beveiligingssysteem ERTMS (European Rail Traffic Management System) te implementeren (TK 32707, nr 16). ERTMS is een toekomstvast beveiligingssysteem dat ook bijdraagt aan verbetering van interoperabiliteit, beschikbaarheid en het mogelijk maken van hogere snelheden en capaciteit. Er wordt met NS en ProRail een ‘Roadmap’ opgesteld voor de implementatie.

    MIRT Projectenboek 2013

    Hoofdmenu

    Servicemenu