1. Home
  2.   MIRT 2013
  3.   Financiële uitwerking
  4. Financieringsbronnen

Financieringsbronnen

Voor uitgaven in het ruimtelijk domein zijn diverse financieringsbronnen. Allereerst de reguliere begrotingsmiddelen, die gevoed worden door de belastingontvangsten. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar uit de Europese Fondsen en bijdragen van derden. Ook kunnen maatregelen worden genomen waarbij (extra) middelen worden gegenereerd. Al deze bronnen worden hieronder toegelicht. De diverse middelen worden op basis van politieke keuzes verdeeld over de diverse begrotingen.

    Europese fondsen

    Op de begroting van de Europese Unie (EU) staat als uitgavencategorie de post Structuurfondsen. Deze fondsen zijn bedoeld als aanvulling op het regionale beleid en dienen ter versterking van de sociaal economische samenhang in de EU. Het gaat hierbij onder andere om het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds. Ten behoeve van investeringen in innovatie, kennisontwikkeling en investeringen in het ruimtelijke domein wordt een beroep gedaan op deze fondsen.

    Deze fondsen leveren een belangrijke bijdrage aan de EU 2020 Strategie die de EU sterker uit de crisis moet laten komen en drie prioriteiten centraal stelt: slimme, duurzame en inclusieve groei. Het beleid kent vanaf 2007 drie doelstellingen: (1) Convergentie: gericht op de minst welvarende landen en regio’s, (2) Regionale concurrentiekracht en werkgelegenheid: gericht op alle overige regio’s en (3) Europese territoriale samenwerking: gericht op alle regio’s in de EU.

    Nederland komt in aanmerking voor doelstellingen 2 en 3 en ontvangt hiervoor in de periode 2007-2013 in totaal € 1.907 mln uit het ESF en het EFRO. Daarvan is € 1.660 mln voor doelstelling 2 en € 247 mln voor doelstelling 3. In het Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR) is vastgelegd waar Nederland dit geld aan besteedt.

    Voor fysieke investeringen in het ruimtelijk domein is doelstelling 2 met de prioriteiten (1) innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie, (2) attractieve regio’s en (3) attractieve steden relevant. In de periode 2007-2013 is € 830 mln beschikbaar voor de vier landsdelen. Uitgangspunt is dat minimaal 45% wordt besteed aan de prioriteit innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie.

    Nederland kan ook een beroep doen op middelen voor de realisatie van het Trans-European Transport Network (TEN-T). Dit programma heeft als doel binnen de EU tot één netwerk te komen voor het vervoer over land, water en door de lucht. Dit netwerk wordt van belang geacht voor de versterking van de Europese concurrentiekracht en dus voor het realiseren van de EU 2020 Strategie. Voor het subsidieprogramma 2007-2013 is voor de EU als geheel circa € 8 miljard beschikbaar. De kosten voor de totstandkoming van de in 2004 gedefinieerde 30 Europese prioritaire projecten zijn echter al op € 415 miljard geraamd. Vanwege het beperkte budget schenkt de Europese Commissie (EC) bij de verdeling met name aandacht aan kritische grensoverschrijdende trajecten en andere belangrijke bottlenecks op de prioritaire corridors. Tevens geeft de EC prioriteit aan de financiering van implementatie van het Europese treinbeveiligingssysteem ERTMS/ETCS en aan projecten op het gebied van Air Traffic Management (ATM), River Information Services (RIS) en Intelligent Transport Systems (ITS) (wegvervoer).

    Begin 2012 zijn de EU lidstaten akkoord gegaan met voorstellen van de EC waarin € 15 mln beschikbaar komt voor studies naar de verdere invoering van het Europese spoorbeveiligingssysteem ERTMS. Ook krijgen twee projecten voor verkeersmanagement op vaarwegen samen € 4,2 mln.

    Voor het invoeren en testen van het beveiligingssysteem op het derde spoor van de Betuweroute (tussen Zevenaar en de Duitse grens) ontvangt Nederland € 2 mln. Studies naar de invoering van technische specificaties op het spoor worden gesteund met € 6,5 mln. Hiervan komt een deel beschikbaar voor Nederland. Daarnaast ontvangt een in Amsterdam gevestigd bedrijf, dat zich richt op de financiering en verhuur van goederenwagons en locomotieven, € 7 mln uit Brussel. Met deze bijdrage krijgen 52 elektrische locomotieven een upgrade van het Europese beveiligingssysteem ERTMS.

    Bijdragen van derden

    De grootste bijdragen van derden betreffen de bijdragen van decentrale overheden aan ruimtelijke projecten. Op de projectbladen is bij de relevante projecten aangegeven wat de bijdrage van decentrale overheden (en/of bedrijven) is of wordt.

    Maatregelen met budgettaire effecten

    De overheid kan maatregelen nemen waarbij (extra) middelen worden gegenereerd, die eventueel voor uitgaven in het ruimtelijk fysieke domein kunnen worden ingezet. Deze maatregelen zijn veelal bedoeld om de financiering van infrastructuurprojecten sluitend te krijgen. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn de volgende maatregelen met de daarbij behorende budgettaire effecten opgenomen: tol, cofinanciering en publiek private samenwerking (PPS).

    Tol

    De gereserveerde budgetten in het Infrastructuurfonds zijn niet toereikend om de projecten A13/A16, ViA15 en Nieuwe Westelijke Oeververbinding volledig publiek te financieren. Voornemen is de financiering rond te krijgen middels tolheffing bij de betreffende projecten. Deze tolontvangsten worden pas gerealiseerd na openstelling van de betreffende wegen. Voorts is het de bedoeling deze wegen als DBFM-contracten (Design, Build, Finance and Maintain) aan te besteden. Kenmerkend daarbij is dat de langjarige verplichtingen- en uitgavenreeksen (de zogenaamde beschikbaarheidsvergoedingen) ook na realisatie worden geraamd. Dit maakt het mogelijk om deze uitgaven direct te financieren uit de jaarlijkse tol die een tolweg opbrengt.

    In het MIRT Projectenboek worden de langjarige tolreeks bij de drie projecten gepresenteerd in termen van contante waarde (oftewel de waarde op dit moment van bedragen die pas in de toekomst beschikbaar komen op de IF-begroting).

    Het ramen van tolontvangsten is met veel onzekerheden omgeven. Uit behoedzaamheid worden de tolontvangsten pas ingezet als daadwerkelijke dekking na Financial Close van een DBFM-contract. Bovendien heeft het kabinet bepaald dat in het MIRT een reservering bij de drie genoemde projecten wordt getroffen gedurende de aanlegperiode van € 300 mln, zodat bij een eventuele mislukt DBFM-aanbesteding een meer klassieke aanbesteding mogelijk blijft (waarbij nog steeds uitgegaan wordt van dezelfde tolopbrengsten) zonder dat daarvoor herprioritering nodig is.

    Voorfinanciering/Cofinanciering

    Conform het Regeerakkoord van 2010 kunnen decentrale overheden MIRT-investeringen voorfinancieren mits zij de kosten van deze voorfinanciering volledig dragen. Er kan pas sprake zijn van voorfinanciering als de bekostiging van het project volledig rond is en vastgelegd in bestuurlijke afspraken. Projecten worden in principe op sobere en doelmatige wijze uitgevoerd. Cofinanciering door het Rijk voor inpassingsmaatregelen kan aan de orde zijn indien een dergelijke aanvullende investering maatschappelijk rendabel is. Tevens moet voldaan worden aan de beslismomenten van de Spelregels van het MIRT.

    Publiek Private Samenwerking (PPS)

    Een laatste maatregel is het doelmatiger (en mogelijk meer innovatief) aanbesteden en toepassen van PPS. Met deze maatregel wordt bovenal beoogd efficiencywinst te behalen door het gebruik van bepaalde contractvormen (zoals DBFM). Ook op andere terreinen waar private financiering voordelen heeft voor de prijs, kwaliteit of benodigde tijd wordt actief gezocht naar de mogelijkheden om PPS in te zetten en deze waar dat zinvol is te benutten. Indien PPS van toepassing is, zal informatie over de betrokkenheid van de markt op de projectbladen opgenomen worden. Dit kabinet heeft in het kader van de rijksbrede bezuinigingen een taakstelling uit hoofde van PPS efficiencywinst op het Infrastructuur- en Deltafonds gelegd. De toedeling naar concrete projecten kan op de MIRT bladen gevonden worden. Verder wordt ernaar gestreefd extra middelen te genereren en/of een hogere kwaliteit van een project te realiseren door de opbrengsten van gebiedsontwikkeling voor de financiering van nieuwe projecten te gebruiken. De nadruk ligt de komende jaren met name op het creëren van een andere manier van samenwerken tussen markt en overheid. Risicoverdeling neemt hierbij een belangrijke plaats in.

    MIRT Projectenboek 2013

    Hoofdmenu

    Servicemenu